Het kanaal tussen Apeldoorn en Dieren werd tussen 1859 en 1865 gegraven. Handmatig met schop, kruiwagen en paard en wagen. Opengesteld werd het kanaal pas in 1870. Door lekkages moest het kanaal weer leeggepompt worden. Door het aanbrengen van extra leemlagen op de bodem werd het lekken alsnog verholpen.
Koning Willem III was de animator voor de aanleg. Hij wilde het reeds bestaande Griftkanaal tussen Hattem en Apeldoorn verbinden met de IJssel in Dieren. Zo wilde hij de ontwikkeling bevorderen van industrie.
Tussen Dieren en Hattem was de IJssel vaak niet te bevaren door de lage waterstanden. Om het hoogteverschil tussen kanaal en rivier te overbruggen werd in Dieren een drietraps sluis gebouwd met een hoogteverschil van gemiddeld 9,5 meter.
In 1950 waren er plannen het kanaal uit te diepen en te verbreden, zodat er schepen tot 600 ton doorkonden. Begonnen werd met het vernieuwen van de sluis in Dieren die gereed kwam in 1957. Het hoogteverschil werd nu overbrugd door een sluis met 10 meter verval. Verdere uitbreiding ging niet door. In 1973 werd het kanaal gesloten en vond het vervoer per vrachtauto plaats.
De bruggen
De bruggen werden gebouwd als draaibruggen. In 1940 werden ze allemaal door het Nederlandse leger opgeblazen. In 1945 gebeurde hetzelfde, maar nu werden de inmiddels herstelde bruggen door de Duitsers vernield.
De na de oorlog gebouwde ophaalbruggen bestaan nog steeds, hoewel vele daarvan zijn vervangen door vaste bruggen.
Langs het gehele kanaal werden bij de bruggen identieke brugwachtershuisjes gebouwd. Die in Laag-Soeren werd in 2006 gesloopt om ruimte te maken voor de verbreding van de Kanaalweg.
Jut van Breukelerwaard en het kanaal
Tegen de aanleg van dit kanaal pleegde Jut van Breukelerwaard, de oprichter van het badhuis Bethesda, veel verzet. Hij protesteerde er tegen bij alle instanties en reisde zelfs naar Den Haag om ook daar zijn stem te laten horen, maar hij kon de aanleg van het kanaal niet tegenhouden. Hij vond dat het kanaal de akkers van zijn landgoed afsneed van de vruchtbare lager gelegen weidegronden.
In het Geldersch Nieuwsblad plaatste hij in 1862 een advertentie met daarin de volgende woorden: "Het schreit tot God en kan onmogelijk ongestraft blijven dat men van dit kleine land, voor een verbaasd groot gedeelte uit heidegrond bestaand en dus op gene voeten of vadem na de inwoners kan voeden, vele vruchtbare akkers en weiland wil verwoesten."
(
Onbekend
© Onbekend
)
(
Onbekend
© Onbekend
)
(
Onbekend
© Onbekend
)