Op de besloten Hervormde Begraafplaats aan de Reinaldstraat bevindt zich het graf van John Alexander Brydson, een Schotse vlieger die op 23-jarige leeftijd verongelukte na het neerschieten van zijn vliegtuig. Hij werd door de Duitsers op 1 april 1945 neergehaald boven Velp en stortte neer achter kasteel Biljoen (waar nu het stoomgemaal staat). In afwachting van zijn identificatie werd hij begraven op de Hervormde Begraafplaats. Via het Rode Kruis in Schotland is de naam van de piloot achterhaald.
In 1947 kwamen de ouders, het echtpaar Brydson, naar Nederland. Ze kochten het stukje grond waarop het graf gelegen is en plaatsten een steen. Ook gaven ze de heer A.C. Wijnands toestemming het graf te onderhouden. Na diens overlijden hebben zijn dochter en schoonzoon, de heer en mevr. J. Boxman-Wijnands, deze taak overgenomen. De Velpse familie adopteerde het graf, waardoor het stoffelijke overschot niet herbegraven werd op een militaire begraafplaats. In 1985 en in 1995 hebben Johns moeder en een broer en zuster het graf bezocht. In 2005 is de zuster van John alleen naar Velp gekomen. Burgemeester P. van Wingerden-Boers hield een toespraak. Namens het Rode Kruis was mevrouw B. Heling aanwezig, bijgestaan door haar man, die vertelde over zijn herinneringen aan de oorlog.
Tekst op het graf: HIER RUST PILOT OFFICER JOHN A. BRYDSON ROYAL AIR FORCE, AGED 23 YEARS. OF BOWHOUSE, TERREGLES, DUMFRIES, SCOTLAND, KILLED IN ACTION, 1STE APR 1945. RUST ZACHT
Over deze gebeurtenis is een verslag geschreven door H. Wenting, van het Rode Kruis. Uit het verslag:
"Het was op zondag 1 april, 1e Paasdag. Des namiddags te ongeveer één uur werden de Duitse stellingen nabij de Westervoortse brug door laagvliegende vliegtuigen beschoten. De bedreigde soldaten lieten zich natuurlijk niet onbetuigd en vuurden terug waardoor een Engels vliegtuig geraakt werd en terecht kwam in een weiland nabij Biljoen. De ene inzittende, een jonge moedige soldaat van ongeveer 21 jaar, kreeg geen gelegenheid het toestel tijdig te verlaten en vond een onmiddellijke dood. Omdat de machine zich diep in de grond had geboord moest eerst veel zand worden weggegraven alvorens het lichaam kon worden geborgen. Met hulp van enige Blokleden en een paar helpers was te ongeveer ?? het doel bereikt en zou het slachtoffer vervoerd kunnen worden. Tijdens de hiervoren genoemde werkzaamheden was op ergerlijke en onmenselijke wijze door inmiddels gearriveerde Duitse soldaten geaasd op diverse eigendommen van de piloot. Een hunner had kans gezien het polshorloge te verduisteren. Het leken wel hyena’s. Door een ander was het vlieger-embleem van de jas gehaald om als souvenir mee te nemen, maar een onzer mensen moffelde dit bij het bekijken ongezien in een smal overallzakje, waarna het later aan de familie kon worden ter hand gesteld. Wel is door onze colonne ter verdere doorzending naar het Rode Kruis opgezonden een sigarettenkoker en een defecte vulpen, welke beiden door een der helpende burgers aan ons waren toevertrouwd. Overige bezittingen werden meegenomen door een “knechtje” van de Ortscommandant. Of deze artikelen ooit in rechtmatig bezit zijn gekomen is ons niet bekend geworden. Op last van de Ortscommandant moest en zou het stoffelijk overschot van de piloot worden overgebracht naar het bureau waar zijn zetel was gevestigd, hoewel onzerzijds was aangeboden voor alles, ook de ter aardebestelling, te zorgen. In zijn villa was toch geen geschikte plaats voor opberging! Want wij zagen in de gevallene een dapper strijder voor onze bevrijding die een eervolle begrafenis verdiende, wat niet te voorzien was bij de bezettende macht. Buiten verwachting verliep het korte onderhoud met de Nederlandssprekende commandant in voor ons gunstige zin en werd opbaren en begrafenis opgedragen aan ons. Het zal niet zo bedoeld zijn, maar wij gevoelden het als een eervolle opdracht welke gaarne zou worden uitgevoerd.”
“We naderen zaterdag 7 april 1945, de dag welke was bepaald voor de ter aardebestelling van de op 1 april omgekomen piloot. In overleg met de Burgemeester was de begrafenis vastgesteld te half tien op de Oude Begraafplaats in de Reinaldstraat, omdat in verband met de gevaarlijke toestand op Heiderust niet was aan te bevelen. De Ortscommandant eiste dat een vertegenwoordiger van de Duitse Wehrmacht daarbij aanwezig moest zijn. Nadat er tweemaal bericht was gezonden en niemand van die zijde verscheen, werd onzerzijds order gegeven tot neerlating in het graf over te gaan. Het werd een zeer eenvoudige plechtigheid zonder familie of kennissen. Een vertegenwoordiging van onze Transportcolonne was officieel aanwezig en een aantal belangstellenden die toevalligerwijze getuige waren. Enige ogenblikken na dit moment prijkte er een kleine bloemenhulde … .”
(
Veelen, B. van
© Beperkt openbaar, naamsvermelding
)
(
Veelen, B. van
© Beperkt openbaar, naamsvermelding
)